ECLI:NL:CRVB:2022:1924
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herhaalde WAO-uitkeringsaanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een herhaalde aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering, welke door het Uwv is afgewezen op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv stelde dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die aanleiding gaven tot een ander besluit dan het eerdere besluit van 30 januari 2002, waarin de uitkering werd geweigerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef het standpunt van het Uwv. De Centrale Raad van Beroep toetste in hoger beroep of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd had op het standpunt dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren. Appellant herhaalde zijn eerdere stellingen over ziekte en arbeidsongeschiktheid, maar bracht geen nieuwe feiten aan.
De Raad benadrukte dat nieuw gebleken feiten feiten of omstandigheden betreffen die ná het eerdere besluit zijn opgekomen of die niet eerder konden worden aangevoerd. Aangezien appellant geen nieuwe feiten aanvoerde en de eerdere afwijzing rechtmatig was, werd het hoger beroep verworpen. Tevens werd overwogen dat het bestreden besluit niet evident onredelijk was. Het beroep werd afgewezen zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde WAO-aanvraag wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.