ECLI:NL:CRVB:2022:1926
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens termijnoverschrijding bij afwijzing aanvraag voorbereidingsperiode BBZ
Appellant had op 1 mei 2018 een voorbereidingsperiode aangevraagd op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (BBZ). Het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek wees deze aanvraag bij besluit van 13 juni 2018 af, en handhaafde dit besluit bij bezwaar op 3 december 2018.
Appellant stelde beroep in tegen dit bestreden besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat het beroepschrift tijdig, namelijk op 20 december 2018, was ingediend. De stelling dat eerdere brieven wel waren aangekomen, maakte dit niet anders.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het beroep wel tijdig was ingesteld en overlegde een uittreksel van de verzendadministratie van zijn gemachtigde. Tevens wees appellant op telefonisch contact tussen zijn gemachtigde en de rechtbank in december 2019, waarbij hem werd meegedeeld dat alsnog een procedurenummer was toegekend en het beroep in behandeling zou worden genomen.
De Raad oordeelde dat het overgelegde uittreksel niet voldoende bewijs leverde dat het beroepschrift daadwerkelijk op 20 december 2018 was verzonden. Ook kon uit de toekenning van een procedurenummer in december 2019 niet worden afgeleid dat het beroep tijdig was ingesteld, aangezien dit waarschijnlijk een gevolg was van de brief van 5 december 2019 waarin alsnog om behandeling werd verzocht.
Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens termijnoverschrijding. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het beroepschrift.