ECLI:NL:CRVB:2022:1934
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand woonkostentoeslag wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant ontving gedurende een periode van ruim drie jaar woonkostentoeslag op grond van de Participatiewet en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Na beëindiging van deze uitkeringen vroeg hij opnieuw bijzondere bijstand aan, welke werd afgewezen door het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek. Het bestuur stelde dat appellant onvoldoende proactief was geweest in het treffen van maatregelen om zijn woonlasten te verlagen, zoals verkoop van zijn woning of het zoeken naar goedkopere woonruimte.
De rechtbank Den Haag vernietigde het besluit omdat appellant niet de mogelijkheid had gekregen zijn bezwaar mondeling toe te lichten, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. In hoger beroep richtte appellant zich tegen deze rechtsgevolgen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat woonkosten in principe tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren en alleen bijzondere bijstand rechtvaardigen indien bijzondere omstandigheden leiden tot hogere woonlasten dan gebruikelijk of het niet kunnen voldoen van deze kosten uit het inkomen.
Appellant had geen aantoonbare inspanningen geleverd om zijn woonsituatie aan te passen gedurende de lange periode van woonkostentoeslag. Zijn stellingen over beslag op de woning, een restschuld bij verkoop, kwetsbare gezondheid en onduidelijkheid over de duur van de toeslag waren onvoldoende onderbouwd en boden geen grond om het besluit te wijzigen. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand woonkostentoeslag wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.