ECLI:NL:CRVB:2022:1944
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
Appellante, geboren in 1989, ontvangt sinds 2011 een Wajong-uitkering wegens een auto-immuunziekte. Na invoering van de Wajong 2015 heeft het UWV in 2019 vastgesteld dat zij arbeidsvermogen bezit, wat betekent dat haar uitkering niet wordt verhoogd naar de regeling voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.
De rechtbank Rotterdam heeft het bezwaar van appellante tegen deze beslissing ongegrond verklaard en geoordeeld dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat zij een taak kan uitvoeren binnen een arbeidsorganisatie en over basale werknemersvaardigheden beschikt. De medische informatie en rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen ondersteunen dit oordeel.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar situatie ernstiger is dan vastgesteld, maar de Raad concludeert dat de medische situatie op de datum in geding stabiel was en dat de beperkingen niet zodanig zijn dat zij geen arbeidsvermogen heeft. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat appellante ten minste een uur aaneengesloten kan werken en vier uur per dag belastbaar is.
De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de eerdere uitspraak, waardoor de Wajong-uitkering van appellante ongewijzigd blijft. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante arbeidsvermogen bezit en geen recht heeft op een Wajong-uitkering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.