ECLI:NL:CRVB:2022:1946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant heeft herhaaldelijk verzocht om toekenning van een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) steeds heeft geweigerd dit toe te kennen. De Raad heeft eerder geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij binnen een verzekerde periode arbeidsongeschikt is geworden en 52 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt is gebleven.
In de huidige procedure is het verzoek van appellant van 10 februari 2020 beoordeeld als een herhaling van eerdere aanvragen. Het Uwv heeft het verzoek afgewezen op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. De Raad heeft bevestigd dat de stukken die appellant heeft ingediend geen nieuwe feiten bevatten en dat het besluit niet evident onredelijk is.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep van appellant ongegrond heeft verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De aanvraag wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende onderbouwing heeft gegeven voor zijn stelling dat hij volledig arbeidsongeschikt is.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.