ECLI:NL:CRVB:2022:1947
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar Wajong-uitkering wegens ontbreken concrete gronden
Appellante diende een aanvraag in voor een Wajong-uitkering die door het UWV werd afgewezen vanwege onvoldoende objectiveerbare beperkingen op het zeventiende/achttiende jaar.
Appellante maakte bezwaar, maar het bezwaarschrift bevatte geen concrete gronden. Het UWV gaf haar een termijn om het bezwaar aan te vullen, maar zij reageerde niet. Daarom verklaarde het UWV het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij de stukken tijdig had ingediend en dat het UWV ontbrekende stukken via de huisarts had moeten opvragen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bezwaarschrift niet voldeed aan artikel 6:5 Awb Pro en dat het niet-ontvankelijk verklaren terecht was, omdat appellante geen gronden had aangevoerd en niet binnen de gestelde termijn had aangevuld.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de afwijzing van de Wajong-uitkering.