ECLI:NL:CRVB:2022:1958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete en herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op BRP-adres
Appellante stond ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op een bepaald adres en ontving studiefinanciering als uitwonende student. Na een controle op 13 september 2018 concludeerde de minister dat appellante niet op het BRP-adres woonde. Op basis hiervan werd de studiefinanciering herzien en een boete opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende bewijs had geleverd dat zij daadwerkelijk op het BRP-adres woonde in de periode van 1 oktober 2017 tot 13 september 2018. De verklaringen en documenten die zij aanvoerde waren onvoldoende overtuigend en konden niet leiden tot twijfel aan het wettelijk vermoeden dat zij niet woonde op het opgegeven adres.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad vond dat het toetsingskader correct was toegepast en dat appellante geen verifieerbare objectieve gegevens had overgelegd die het vermoeden konden weerleggen. Ook het beroep op verminderde verwijtbaarheid werd verworpen omdat de situatie niet vergelijkbaar was met eerdere uitspraken waarin sprake was van een te late adreswijziging.
De Raad bevestigde daarom de boete en de herziening van de studiefinanciering en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de boete en herziening studiefinanciering worden bevestigd.