ECLI:NL:CRVB:2022:1968
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig schoonmaakmedewerkster, heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding in april 2017. Het UWV weigerde deze uitkering per 2 april 2019 omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd vastgesteld. Zowel bezwaar als beroep werden ongegrond verklaard.
De rechtbank Oost-Brabant oordeelde dat het medisch onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) bevatte beperkingen passend bij de psychische en lichamelijke klachten van appellante. De arbeidsdeskundige concludeerde dat de geselecteerde functies geschikt waren.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en overhandigde zij nieuwe medische informatie van een orthopedisch chirurg, maar deze betrof een datum na de datum in geding en beïnvloedde de beoordeling niet. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere oordelen en bevestigde de weigering van de WIA-uitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige of voor het toekennen van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.