ECLI:NL:CRVB:2022:1976
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dagloon en toekenning WIA-uitkering na psychische arbeidsongeschiktheid
Appellant was tot november 2015 werkzaam als verkoper en meldde zich in juni 2016 ziek met psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor een WIA-uitkering werd geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij psychisch niet-zelfredzaam was en geen benutbare mogelijkheden had, onderbouwd met verklaringen van zijn behandelend psychiater en verpleegkundig specialist. De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die aanvullende beperkingen vaststelde. Op basis hiervan kende het UWV alsnog een loonaanvullingsuitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Appellant betwistte de hoogte van het dagloon, stellende dat het arbeidsverleden onjuist was weergegeven. De Raad oordeelde dat het UWV mocht uitgaan van de polisadministratie tenzij appellant het tegendeel aantoonde, wat niet gelukt is. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit van 2018, verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 1 december 2021 wordt ongegrond verklaard en de dagloonvaststelling bevestigd.