ECLI:NL:CRVB:2022:2005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening ZW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante, voormalig secretaresse, werd in 2001 hersteld verklaard en verloor haar recht op een Ziektewet-uitkering. Zij verzocht in 2019 om herziening van dit besluit op grond van vermeende nieuwe medische feiten. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het eerdere besluit onjuist maakten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er wel degelijk nieuwe medische stukken waren, waaronder een brief van een neuroloog en een ontheffing van arbeidsverplichtingen, die niet in het dossier aanwezig waren in 2001. Tevens stelde zij dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig was uitgevoerd omdat zij niet door een geregistreerd verzekeringsarts was gezien.
De Raad oordeelde dat het verzoek om terug te komen op het besluit terecht was afgewezen omdat de nieuwe stukken geen objectief vastgestelde feiten bevatten over haar toestand in 2001. De zorgvuldigheidseisen voor het verzekeringsgeneeskundig onderzoek waren hier niet van toepassing omdat het ging om een verzoek tot herziening van een in rechte vaststaand besluit en niet om een primaire medische beoordeling. Ook was het bestreden besluit niet evident onredelijk.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering is terecht afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.