Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:202

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2022
Publicatiedatum
31 januari 2022
Zaaknummer
20/4046 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening invaliditeitsuitkeringszaak WIA

Verzoeker heeft meerdere malen geprobeerd een invaliditeitsuitkering te verkrijgen, maar het UWV heeft zijn aanvraag niet in behandeling genomen vanwege het niet aanleveren van benodigde gegevens. Zowel de rechtbank als de Raad van Beroep hebben eerdere beroepen en verzetten van verzoeker ongegrond of niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding en gebrek aan nieuwe feiten.

In 2020 diende verzoeker een nieuw verzoek om herziening in, waarin hij stelde dat hij wegens ziekte niet kon werken en een uitkering wenste. De Raad heeft dit verzoek opgevat als een herzieningsverzoek van een eerdere uitspraak uit 2017.

De Raad oordeelt dat het verzoek niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8:119 Awb Pro, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Het verzoek om herziening wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak over de invaliditeitsuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

20 4046 WIA

Datum uitspraak: 24 januari 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 24 oktober 2017, 16/4843-V
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats], Marokko (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft bij brief van 17 augustus 2020 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 december 2018, 18/2810 WIA.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2021. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1
Naar aanleiding van een aanvraag van verzoeker om een invaliditeitsuitkering heeft het Uwv verzoeker bij brief van 21 augustus 2015 bericht dat uit een onderzoek in de verzekerdenadministratie geen verzekeringstijdvakken bij het Uwv bekend zijn en dat daarom verzoeker voor de beoordeling van zijn aanvraag wordt verzocht om informatie. De benodigde gegevens betreffen een geldig identiteitsbewijs, kopie arbeidsovereenkomst, salarisstroken, datum eerste ziektedag en overige medische gegevens. Bij besluit van 22 september 2015 heeft het Uwv de aanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat verzoeker de daartoe benodigde gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft ingediend. Het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 29 oktober 2015 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van verzoeker tegen het besluit van 29 oktober 2015, met de uitspraak van 25 maart 2016 (15/7752) ongegrond verklaard. De Raad heeft het hoger beroep van verzoeker tegen deze uitspraak van de rechtbank Amsterdam, met de uitspraak van 23 december 2016 nietontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend zonder dat gebleken is dat verzoeker niet in verzuim is geweest. Tegen deze uitspraak van de Raad heeft verzoeker verzet ingediend. Het verzet is bij de uitspraak van 24 oktober 2017 (18/2810 WIA) nietontvankelijk verklaard, omdat verzoeker dit niet tijdig heeft ingediend en niet gebleken is dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is
.
1.2.
Vervolgens heeft de Raad bij de uitspraak van 27 december 2018 een verzoek van verzoeker om herziening van de uitspraak van 24 oktober 2017 afgewezen, omdat niet is gebleken dat verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), naar voren heeft gebracht. Daarbij is overwogen dat het verzoek om herziening immers geen gronden bevat die betrekking hebben op de reden waarom het verzet bij de uitspraak van 24 oktober 2017 ongegrond is verklaard.
1.3.
In zijn brief van 17 augustus 2020 heeft verzoeker aangegeven dat hij de beslissing om een invaliditeitsuitkering af te wijzen, niet accepteert. Verzoeker is door ziekte uitgevallen voor zijn arbeid in Nederland en kan door zijn ziekte niet werken. Hij wil daarom een uitkering ontvangen en verzoekt om nogmaals zijn zaak te bestuderen. Verzoeker heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 27 december 2018.
1.4.
Gelet op de adressering van het verzoek aan de Raad, heeft de Raad de brief van 17 augustus 2020 opgevat als een nieuw verzoek om herziening van zijn uitspraak. Omdat de uitspraak van de Raad van 24 oktober 2017 in stand is gebleven met zijn uitspraak van 27 december 2018, heeft de Raad het verzoek vervolgens aangemerkt als een verzoek tot herziening van zijn uitspraak van 24 oktober 2017.
2. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3. Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1218) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Het verzoek om herziening wordt opnieuw afgewezen, omdat niet is gebleken dat verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Awb, naar voren heeft gebracht. Het verzoek om herziening bevat ook nu geen gronden die betrekking hebben op de reden waarom het verzet van verzoeker tegen de uitspraak van de Raad van 23 december 2016 nietontvankelijk is verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- wijst het verzoek om herziening van de uitspraak van 24 oktober 2017 (16/4843-V) af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2022.
(getekend) M. Schoneveld
(getekend) A.A.M. Chevalier