ECLI:NL:CRVB:2022:2026
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend financieel belang
Verzoeker ontving sinds 2008 bijstand en werd onderzocht wegens het bezit van een auto met een waarde van €16.250. Na het niet aanleveren van gevraagde documenten schortte en trok het college de bijstand op 25 februari 2022 op en introk deze per 10 maart 2022. Verzoeker vroeg opnieuw bijstand aan, die werd afgewezen. Het college herstelde het besluit tot intrekking gedeeltelijk tot 20 april 2022, waarna de rechtbank het beroep van verzoeker ongegrond verklaarde en het verzoek om voorlopige voorziening afwees.
In hoger beroep vroeg verzoeker opnieuw een voorlopige voorziening aan, stellende dat hij financieel precair was. De voorzieningenrechter oordeelde dat een verzoek om voorlopige voorziening een actueel financieel spoedeisend belang vereist. Verzoeker kon niet aannemelijk maken dat hij schulden had moeten maken die leidden tot dreiging van huisuitzetting, afsluiting van energie of water, of het ontbreken van ziektekostenverzekering. Ook ontbraken bankafschriften die zouden aantonen dat hij geen geld had voor levensonderhoud.
De voorzieningenrechter benadrukte dat het verzoek niet bedoeld is om de hoofdzaak te bespoedigen en dat alleen het stellen dat het besluit onrechtmatig is, onvoldoende is voor spoedeisendheid. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een actueel financieel spoedeisend belang.