Uitspraak
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Centrale Raad van Beroep
Verzoekster en haar minderjarige kinderen verbleven in noodopvang voor dakloze gezinnen. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloot de noodopvang te beëindigen omdat verzoekster niet voldeed aan de voorwaarden van het uitstroomtraject, waaronder inschrijving bij woningzoeksites en wekelijkse reacties op woningen.
Verzoekster vroeg vervolgens een maatwerkvoorziening aan, die door het college werd afgewezen omdat zij geacht werd zich te kunnen handhaven in de samenleving en zelf in onderdak te kunnen voorzien. De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond.
In hoger beroep stelde verzoekster dat het college onvoldoende onderzoek had verricht en dat zij niet in staat was zich te handhaven. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college voldoende onderzoek had gedaan, onder meer via GGD-rapportages en evaluaties tijdens het verblijf in de opvang. Hoewel verzoekster stress en beperkingen ervaart, was zij in staat om te reageren op woonruimteaanbod.
De Raad benadrukte dat de regeling voor noodopvang als buitenwettelijk begunstigend beleid geldt en dat toetsing beperkt is tot consistentie en fundamentele rechten. Verzoekster hield zich niet aan de voorwaarden, waardoor het college het beleid consistent toepaste. Het beroep op het EU-arrest C-709/20 slaagde niet omdat geen reëel risico op schending van grondrechten was aangetoond.
De Raad bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de maatwerkvoorziening en het beëindigen van de noodopvang omdat verzoekster in staat is zelf in onderdak te voorzien.