In deze zaak gaat het om de herziening van de bijstand van appellant over de periode van 11 september 2019 tot en met 10 oktober 2019 wegens inkomsten uit arbeid. Het college heeft de te veel betaalde bijstand van € 968,37 verrekend met het recht op bijstand over november 2019 en heeft daarnaast een uitkeringsspecificatie over december 2019 verstrekt.
Appellant betoogde dat het college niet in redelijkheid gebruik had kunnen maken van zijn bevoegdheid tot verrekening op grond van artikel 58, vierde lid, van de Participatiewet. De Raad oordeelt dat appellant met de verrekening rekening had moeten houden en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor financiële problemen heeft ondervonden.
Daarnaast stelde appellant dat het college ten onrechte een bedrag van € 171,49 had verrekend, maar dit bleek feitelijk niet juist te zijn. De stelling dat het vakantiegeld niet volledig in mei 2020 was uitbetaald, maar deels in juni 2020, is juist, maar valt buiten de beoordeling van het hoger beroep.
Het hoger beroep wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.