ECLI:NL:CRVB:2022:204
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellant was logistiek medewerker en meldde zich ziek vanaf 3 mei 2017. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek beperkingen vast per 1 mei 2019 en berekende de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35%, waardoor een WIA-uitkering werd geweigerd. De arbeidsdeskundige selecteerde passende functies voor appellant en motiveerde waarom deze ondanks signaleringen passend zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen en functies adequaat waren vastgesteld. Appellant bracht in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens in, stelde dat het UWV onvoldoende rekening hield met psychische problematiek en vroeg om een onafhankelijke deskundige, wat werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan het onderzoek.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en bevestigde dat het UWV terecht de WIA-uitkering weigerde. De Raad wees op het ontbreken van nieuwe gronden, de adequaatheid van het medisch en arbeidskundig onderzoek en de geschiktheid van de functies. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering per 1 mei 2019 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.