ECLI:NL:CRVB:2022:2044
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar ZW en weigering WIA-uitkering wegens termijnoverschrijding en onvoldoende wachttijd
Appellant was mechanisch operator en meldde zich op 2 januari 2019 ziek. Vanaf 1 juli 2019 ontving hij een ZW-uitkering, die per 1 maart 2020 werd beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Het bezwaar tegen deze beëindiging werd door het Uwv niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening. Daarnaast werd een WIA-uitkering geweigerd omdat appellant niet de vereiste wachttijd van 104 weken had vervuld.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen beide besluiten ongegrond. De Raad volgde dit oordeel en bevestigde dat de telefoonnotities van appellant en zijn advocaat geen schriftelijk bezwaar vormden. Ook werd geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, mede omdat appellant na de telefonische contacten een WW-uitkering aanvroeg en zich later opnieuw ziekmeldde.
Ten aanzien van de WIA-uitkering oordeelde de Raad dat appellant niet aaneengesloten 104 weken arbeidsongeschikt was geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had dit inhoudelijk onderzocht en vastgesteld dat appellant sinds 1 maart 2020 geschikt was voor de aan hem voorgehouden functies. De Raad concludeerde dat het Uwv terecht de WIA-uitkering had geweigerd en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand.