Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
.Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor beëindiging en intrekking, in dit geval het voeren van een gezamenlijke huishouding op het uitkeringsadres, op de bijstandverlenende instantie rust.
dagelijksde woning op het uitkeringsadres verliet onjuist. Dit is van betekenis, omdat appellante wel geconfronteerd is met het gestelde feit dat meneer "dagelijks" is gezien terwijl hij de woning verliet. Daarover gaat overweging 4.9.2 direct hierna. Dat op zes dagen is waargenomen dat appellant de woning op het uitkeringsadres in de ochtend verliet en dat zijn auto op de parkeerplaats in de omgeving van het uitkeringsadres stond geparkeerd, is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat appellant zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraken, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht;
- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 16 januari 2020, 9 maart 2020 en 18 maart 2020 gegrond en vernietigt deze besluiten;
- vernietigt de besluiten van 13 januari 2021;
- herroept de besluiten van 3 december 2019, 10 februari 2020, en 10 maart 2020;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 3.036,-;
- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 402,- vergoedt.