Appellante, werkzaam bij het Openbaar Ministerie, ontving op 1 augustus 2019 een ambtsjubileumgratificatie van €6.466,16 netto uitbetaald. Later bleek dat deze gratificatie bruto had moeten worden uitbetaald, waardoor appellante een nettobedrag van €3.544,75 moest terugbetalen.
De minister verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze inhouding van loonbelasting ongegrond. De rechtbank Midden-Nederland bevestigde dit in haar uitspraak van 17 juni 2021.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat op grond van artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de inspecteur van belasting bevoegd is om te beslissen op bezwaar tegen inhouding van loonbelasting. De minister had het bezwaar daarom moeten doorzenden naar de inspecteur en mocht er niet zelf over beslissen.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van de minister, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante. De minister moet het bezwaarschrift alsnog doorzenden naar de bevoegde inspecteur van belasting.