Appellante was sinds maart 2016 ziek gemeld met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid vast van minder dan 35%, waarna bezwaar en beroep werden afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de beslissing.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij meer beperkingen heeft dan het UWV aannam, onderbouwd met medische expertiserapporten. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat appellante meer beperkt is, onder meer door verminderde energetische belastbaarheid en een urenbeperking van 20 uur per week.
Het UWV nam een nieuw besluit waarin de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 42,71%, maar zonder volledige erkenning van de door de deskundige geadviseerde beperkingen. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke medische grondslag berust en draagt het UWV op binnen zes weken een nieuwe functionele mogelijkhedenlijst op te stellen en arbeidskundig onderzoek te verrichten, rekening houdend met de aanvullende beperkingen.
De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het hoger beroep gegrond verklaard. Over de vordering tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt nog geen uitspraak gedaan.