ECLI:NL:CRVB:2022:2075
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens andere ziekteoorzaak binnen wachttijd
Appellante had vanaf 29 juni 1999 een WAO-uitkering wegens psychische klachten na een depressieve episode, welke per 2 september 2004 werd beëindigd vanwege minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. In 2018 meldde zij verslechtering van haar gezondheid vanaf juli 2007, veroorzaakt door een mishandeling met daaropvolgende PTSS-klachten. Het UWV weigerde een nieuwe WAO-uitkering toe te kennen, omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkwam uit een andere ziekteoorzaak dan waarvoor de eerdere uitkering was toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de PTSS niet in oorzakelijk verband stond met de eerdere depressieve stoornis. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en verzocht om een onafhankelijke deskundige vanwege schending van het equality of arms-beginsel, hetgeen werd afgewezen.
De Raad overwoog dat volgens artikel 43a van de WAO toekenning van een nieuwe uitkering alleen mogelijk is indien de arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na beëindiging voortkomt uit dezelfde oorzaak. Uit de medische rapporten blijkt dat de toegenomen klachten het gevolg zijn van PTSS en niet van de eerdere depressie. Appellante bracht geen tegenbewijs in. De Raad bevestigde dat het risico van late aanvraag bij appellante ligt en dat het UWV voldoende onderzoek heeft gedaan. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na beëindiging voortkomt uit een andere ziekteoorzaak.