ECLI:NL:CRVB:2022:2084
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2013 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2018 stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna haar uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar en er volgde een aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek, waarbij de arbeidsongeschiktheid op 6,38% werd vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren voor meer beperkingen dan vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen werden onderschat, mede door een ziekenhuisopname in december 2019, maar kon dit niet met medische gegevens onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat de herbeoordeling zorgvuldig was uitgevoerd, dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren en dat de arbeidskundige grondslag juist was. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.