ECLI:NL:CRVB:2022:2085
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsvermogen en weigering Wajong-uitkering aan jonggehandicapte
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan wegens foetaal alcoholsyndroom en psychische kwetsbaarheid. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant volgens verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen over arbeidsvermogen beschikt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant minimaal vier uur per dag belastbaar is en basale werknemersvaardigheden bezit.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn psychische problematiek onderschat is en dat hij niet zelfstandig een taak kan uitvoeren zonder voortdurende begeleiding. Hij overhandigde een nieuw psychologisch rapport, maar dit toonde juist een lichte verbetering en bevestigde de noodzaak van begeleiding zonder het ontbreken van arbeidsvermogen.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft en daarom niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. De noodzaak van begeleiding staat volgens vaste rechtspraak niet aan het bestaan van arbeidsvermogen in de weg.
Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het UWV heeft terecht de Wajong-uitkering geweigerd wegens het beschikken over arbeidsvermogen.