ECLI:NL:CRVB:2022:2091
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor passende arbeid
Appellante, werkzaam als helpende zorg en welzijn, meldde zich in november 2018 ziek. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij per november 2020 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor diverse functies, waardoor zij geen recht had op een WIA-uitkering. Na een nieuwe ziekmelding in december 2020 met rugklachten, stelde het UWV vast dat zij geen recht had op Ziektewetuitkering vanaf die datum. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het UWV-besluit ongegrond. Zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts voldoende rekening had gehouden met de medische situatie van appellante. De functies die zij kon vervullen, vereisten geen zware rugbelasting en boden voldoende afwisseling.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zij niet door een verzekeringsarts was onderzocht, wat door het UWV werd tegengesproken. De Raad oordeelde dat appellante wel degelijk door verzekeringsartsen was onderzocht en dat het UWV terecht had vastgesteld dat zij geschikt was voor ten minste één van de geduide functies.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.