Betrokkene, sinds 1989 werkzaam bij de politie, was feitelijk werkzaam in het politiebureau van een bepaalde plaats van 2005 tot 1 november 2017, ondanks dat formeel andere plaatsen van tewerkstelling waren aangewezen. Betrokkene verzocht om een aanvullende tegemoetkoming in de reiskosten woon-werkverkeer gebaseerd op deze feitelijke plaats.
De korpschef wees dit verzoek af, stellende dat de formele plaats van tewerkstelling leidend is en dat betrokkene geen bezwaar had gemaakt tegen de formele besluiten. De rechtbank oordeelde echter dat de feitelijke plaats van tewerkstelling bepalend is en kende de tegemoetkoming toe, waarbij het beroep tegen het tweede besluit niet-ontvankelijk werd verklaard.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank dat de feitelijke plaats van tewerkstelling bepalend is voor het recht op aanvullende reiskostenvergoeding. De Raad vernietigde echter het deel van de uitspraak dat de korpschef verplichtte het griffierecht in het tweede beroep te vergoeden, en bepaalde dat betrokkene dit griffierecht aan de korpschef moet terugbetalen.
De Raad veroordeelde de korpschef tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, inclusief reiskosten voor het hoger beroep. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene behoeft geen verdere bespreking nu het hoger beroep van de korpschef faalt.