ECLI:NL:CRVB:2022:2105
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens prostitutie-exploitatie woning
Appellant ontving sinds 2004 bijstand en stond ingeschreven op een adres te Eindhoven. Na een politiecontrole in februari 2019 waarbij prostitutiewerkzaamheden in zijn woning werden vastgesteld, voerde de gemeente een onderzoek uit. Hieruit bleek dat de woning via een sekssite werd aangeboden voor prostitutie en dat appellant geen melding had gedaan van deze onderverhuur en inkomsten.
Het college van burgemeester en wethouders trok daarom de bijstand over februari 2019 in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt niet op de hoogte te zijn van de prostitutiewerkzaamheden. Verklaringen van betrokkenen en omstandigheden zoals inrichting van de woning en sleutelbezit spraken dit tegen.
In hoger beroep voerde appellant opnieuw aan niet te weten van de prostitutie, maar de Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat de vooronderstelling gerechtvaardigd is dat appellant als (mede-)exploitant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte en inkomsten ontving. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.