ECLI:NL:CRVB:2022:2130
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid WIA-uitkering
Appellant viel in oktober 2015 uit wegens fysieke klachten en kreeg een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling door het UWV in 2019 en 2020 werd de mate van arbeidsongeschiktheid verlaagd naar 72,26%, mede op basis van medische en arbeidskundige rapporten.
Appellant voerde bezwaar aan tegen het besluit, met name over het vervallen van beperkingen voor dynamische handelingen en statische houdingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Hij stelde dat zijn klachten geen psychische component hebben en dat het UWV ten onrechte lichamelijke beperkingen buiten beschouwing liet.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het UWV voldoende medische gronden heeft om de beperkingen te wijzigen en dat de mate van arbeidsongeschiktheid op juiste wijze is vastgesteld. Het rapport van de second opinion-arts bracht geen nieuwe inzichten die tot een ander oordeel leiden.
De Raad concludeert dat de arbeidsduurbeperking van 20 uur per week passend is en dat er geen aanwijzingen zijn dat het UWV te weinig beperkingen heeft aangenomen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht heeft vastgesteld op 72,26%.