Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, werd op 10 november 2017 ziek gemeld met fysieke klachten. Het UWV weigerde op 13 februari 2020 een WIA-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, ondanks het ontbreken van een fysiek spreekuurcontact met een verzekeringsarts in de bezwaarfase.
In hoger beroep betoogt appellante dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat zij niet fysiek is onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, en dat haar beperkingen zijn onderschat. De Raad stelt vast dat volgens vaste jurisprudentie in de bezwaarfase een fysiek spreekuurcontact met een verzekeringsarts noodzakelijk is tenzij deze kan motiveren dat dit geen toegevoegde waarde heeft.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft telefonisch contact gehad en meende dat een fysiek onderzoek niet nodig was, mede omdat in de primaire fase een arts een lichamelijk onderzoek had verricht. De Raad volgt dit niet en stelt dat het ontbreken van een fysiek onderzoek in de bezwaarfase niet met deze motivering kan worden gerechtvaardigd.
Gezien de door appellante gemelde fysieke klachten, waaronder nek-, schouder- en armklachten, had een fysiek onderzoek moeten plaatsvinden. Het medisch onderzoek is daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid verricht, wat leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Het UWV wordt opgedragen binnen acht weken het gebrek te herstellen door een nieuw onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De overige gronden van het hoger beroep blijven onbesproken en er wordt nog geen uitspraak gedaan over de proceskosten.