ECLI:NL:CRVB:2022:2135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen op WIA-uitkeringsbesluiten wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante was werkzaam als medewerker klantencontactcentrum en meldde zich op 15 juli 2015 ziek. Na een toetsing beëindigde het UWV op 8 juni 2017 haar Ziektewet-uitkering en weigerde een WIA-uitkering per 30 juni 2017 omdat de wachttijd van 104 weken niet was voltooid. Appellante verzocht later om herbeoordeling op grond van toegenomen klachten, maar dit werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten waren vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, mede op basis van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet gehoord was en dat er wel nieuwe feiten waren, met name beperkingen in het handgebruik.
De Raad oordeelde dat de eerdere besluiten in rechte vaststaan en dat het verzoek om terug te komen op deze besluiten niet kon slagen wegens het ontbreken van nieuwe feiten als bedoeld in art. 4:6 Awb Pro. Wel was sprake van een procedureel gebrek omdat appellante niet gehoord was, maar dit werd gepasseerd omdat zij alsnog gelegenheid had gekregen haar standpunten mondeling toe te lichten.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak, wees het hoger beroep af en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere besluiten van het UWV blijven in stand.