ECLI:NL:CRVB:2022:2136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als magazijnmedewerker, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de geselecteerde functies zijn belastbaarheid overschreden, met name vanwege oogklachten en psychische beperkingen. De Raad volgde dit niet en stelde vast dat de medische informatie rond de datum in geding een stabiele situatie toonde zonder specifieke visusbeperkingen. Ook was er geen medische onderbouwing voor de psychische klachten die appellant claimde.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd waarom de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellant en dat de aanvullende medische stukken van na de datum in geding niet relevant waren voor de beoordeling. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.