ECLI:NL:CRVB:2022:2149
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in proceskostenzaak UWV
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin een procespunt te weinig werd toegekend in een proceskostenvergoeding. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat het UWV het procespunt inmiddels had toegekend.
Appellant stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, stellende dat er geen vertrouwen was in de afhandeling door het UWV en dat een extra procespunt toegekend moest worden. De Raad oordeelde dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk was verklaard, omdat het UWV aan de bezwaren tegemoet was gekomen en er geen belang meer was bij verdere procedure.
Wel werd erkend dat appellant recht had op vergoeding van proceskosten voor het instellen van hoger beroep en verzet, omdat het UWV pas na het hoger beroep tegemoet was gekomen. Daarom werd het UWV veroordeeld tot betaling van € 1518,- aan proceskosten.
Het verzet werd ongegrond verklaard en de proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door J.C. Boeree namens de Centrale Raad van Beroep op 6 oktober 2022.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 1518,- aan proceskosten.