Uitspraak
21 360 WAJONG
15 december 2020, 19/3270 (aangevallen uitspraak)
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2022.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2000 een Wajong-uitkering en verzocht in 2018 om deze uitkering te mogen exporteren naar Polen, omdat zijn moeder, van wie hij afhankelijk is voor zorg, daar naartoe zou emigreren om financiële redenen. Het UWV wees dit verzoek af wegens het ontbreken van zwaarwegende redenen zoals bedoeld in het Besluit Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland.
De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat het exportverbod uitgangspunt is en de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen geldt. Appellant stelde in hoger beroep dat er wel sprake is van medische noodzaak voor zijn moeder en voor zichzelf, maar deze nieuwe feiten waren niet ingebracht tijdens de bezwaarprocedure en konden daarom niet worden meegewogen.
De Raad concludeerde dat de verhuizing van de moeder vooral op eigen keuze berust en niet objectief en dwingend is. Ook de financiële motieven van appellant rechtvaardigen geen toepassing van de hardheidsclausule. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot exporteren van de Wajong-uitkering naar Polen wordt afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegende en objectieve redenen.