ECLI:NL:CRVB:2022:2168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellante, laatstelijk werkzaam als verkoopster, meldde zich ziek met rug-, bekken- en depressieve klachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook al vond het bezwaar en beroep telefonisch plaats zonder fysiek spreekuurcontact.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met beperkingen door ACNES en PTSS en dat het onderzoek onzorgvuldig was. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische situatie juist en navolgbaar had beoordeeld, inclusief de beperkingen door ACNES en PTSS. De aanvullende medische informatie van appellante gaf geen aanleiding tot twijfel aan de eerdere conclusies.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht de WIA-uitkering weigerde per 10 december 2019, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Er was geen reden voor benoeming van een onafhankelijk deskundige en ook geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.