Appellante, meervoudig gehandicapt en rolstoelafhankelijk, ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg op grond van de AWBZ. In 2013 sloten appellante en het zorgkantoor een vaststellingsovereenkomst over pgb’s voor 2004-2012, waarbij alleen het verschil tussen reeds toegekend en het nieuwe pgb werd uitbetaald, mits verantwoording werd afgelegd.
In 2018 stelde het zorgkantoor de pgb’s over 2004-2009 opnieuw vast, leidend tot terugvorderingen voor 2004, 2007 en 2008 en nabetalingen voor 2005, 2006 en 2009. Appellante voerde aan dat de berekeningen onjuist waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Raad oordeelt dat de terugvorderingen over 2004 en 2008 niet toegestaan zijn omdat deze meer dan vijf jaar na dato ten nadele van appellante worden herzien. Het zorgkantoor bevestigde dat deze terugvorderingen komen te vervallen. Voor de overige jaren zijn de berekeningen juist. De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het terugvorderingen over 2004 en 2008 betreft en bepaalt dat appellante deze bedragen niet hoeft terug te betalen. Hierdoor resteert een nabetaling van € 10.566,08 plus wettelijke rente.
De Raad veroordeelt het zorgkantoor tot vergoeding van de schade en tot terugbetaling van het betaalde griffierecht.