ECLI:NL:CRVB:2022:2190
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante, medisch secretaresse, viel sinds december 2014 uit voor haar werk. Het UWV kende haar aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na afloop hiervan werd een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, die later op basis van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd ingetrokken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
Appellante maakte bezwaar tegen het intrekkingsbesluit en stelde dat het onderzoek onvoldoende rekening hield met haar medische situatie, met name een intercellulair vitamine B12-deficiëntie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch oordeel zorgvuldig was en dat er geen objectieve medische bevindingen waren die een ernstiger beperking ondersteunden.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, waaronder het late onderkennen van het vitamine B12-tekort en het verzoek om een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en volgde de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die stelde dat er geen bewijs was voor een intercellulair vitamine B12-probleem en dat de functies medisch geschikt waren.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% heeft vastgesteld en de WGA-vervolguitkering heeft beëindigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-vervolguitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.