ECLI:NL:CRVB:2022:22
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering startperiode zelfstandige en vrijlaten uren WW-uitkering
Appellant ontving een WW-uitkering vanaf 3 september 2018, die later werd ingetrokken nadat bleek dat zijn voormalige werkgever het loon doorbetaalde terwijl hij was vrijgesteld van werkzaamheden. Vervolgens werd per 1 juli 2019 opnieuw een WW-uitkering toegekend. Appellant verzocht om toestemming voor een startperiode als zelfstandige met behoud van zijn WW-uitkering en om vrij te laten uren voor zelfstandige werkzaamheden voorafgaand aan zijn werkloosheid.
Het UWV weigerde deze verzoeken omdat appellant al als zelfstandige werkte voordat de startperiode zou ingaan en omdat de uren die hij als zelfstandige werkte tijdens zijn vrijstelling niet in aanmerking konden worden genomen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht handelde op grond van artikel 77a en artikel 8 van Pro de WW.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn zelfstandige werkzaamheden pas na 1 juli 2019 begonnen en dat de vrij te laten uren moeten worden berekend vanaf 26 weken voorafgaand aan 1 juli 2019. De Raad onderschreef de eerdere overwegingen en oordeelde dat appellant geen recht heeft op de startperiode of vrij te laten uren, omdat hij reeds als zelfstandige actief was en geen onderbouwing leverde voor zelfstandige werkzaamheden vóór zijn dienstbetrekking.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van het UWV om een startperiode zelfstandige en vrij te laten uren toe te kennen wordt bevestigd.