ECLI:NL:CRVB:2022:2218
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellant vroeg bijstand aan nadat zijn WW-uitkering was afgelopen en gaf een adres op als hoofdverblijf. Tijdens onderzoek bleek dat appellant niet aannemelijk kon maken dat hij daadwerkelijk op dat adres woonde. Bankafschriften toonden geen uitgaven in de omgeving, en er was geen bewijs van kostgeldbetalingen aan zijn zus, bij wie hij zou wonen.
Het dagelijks bestuur weigerde de bijstand vanwege onvoldoende duidelijkheid over woon- en leefsituatie en het niet nakomen van medewerkingsverplichtingen, waaronder het niet aanwezig zijn bij onaangekondigde huisbezoeken en niet verschijnen bij gesprekken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het dagelijks bestuur voldoende onderzoek had gedaan.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, maar kon niet aantonen dat het oordeel van de rechtbank onjuist was. De Raad bevestigde dat appellant niet voldeed aan zijn bewijslast en medewerkingsplicht, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van woonachtig zijn op het opgegeven adres.