ECLI:NL:CRVB:2022:2224
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was sinds januari 2016 ziek gemeld met psychische klachten en ontving vanaf januari 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering. Na afloop van deze periode werd de uitkering omgezet in een loonaanvullingsuitkering die het UWV in 2019 wilde beëindigen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
De ex-werkgever maakte bezwaar tegen het besluit vanwege het ontbreken van een actueel onderzoek. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellante belastbaar was met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige berekende een arbeidsongeschiktheidspercentage van 16,01%, waarop het UWV besloot de uitkering te beëindigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische rapportages zorgvuldig waren en er geen aanwijzingen waren dat de beperkingen waren onderschat. Appellante bracht in hoger beroep nieuwe medische informatie in, maar deze betrof een periode na de datum van het besluit en kon daarom niet worden meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid had vastgesteld en dat de beëindiging van de uitkering rechtmatig was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellante heeft beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.