ECLI:NL:CRVB:2022:2235
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet-gemelde stortingen
Appellant ontvangt sinds maart 2014 bijstand als alleenstaande. Tijdens een heronderzoek zijn bankafschriften opgevraagd waaruit bleek dat tussen februari 2018 en januari 2019 contante stortingen van €5.100,- op zijn rekening zijn gedaan. Tegelijkertijd werden betalingen aan het CJIB verricht en geld opgenomen. Appellant leverde verklaringen aan van derden die geld hadden gegeven voor boetebetalingen.
Het college herzag de bijstand over de betreffende periode en vorderde €4.852,12 terug wegens niet-gemelde inkomsten. Tevens werd een boete van €1.260,- opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank Rotterdam vernietigde de boete deels en stelde deze vast op €630,-, maar verklaarde het beroep verder ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de stortingen direct verband hielden met betalingen aan het CJIB en opnames. De stortingen zijn terecht als inkomsten aangemerkt. Door het niet melden is de inlichtingenplicht geschonden, waarvoor een passende boete is opgelegd. Het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard; herziening, terugvordering en boete blijven in stand.