Uitspraak
20.1517 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
€ 178,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig algemeen directeur, meldde zich ziek vanaf 7 augustus 2006 en ontving aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2018 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 72,92%, wat leidde tot afwijzing van een IVA-uitkering. Appellant betwistte dit en stelde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn vanwege onder meer hereditaire hemochromatose en bijkomende klachten.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische rapportages voldoende waren en dat appellant in staat werd geacht de geselecteerde functies te vervullen. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de noodzakelijke sportactiviteiten en rustmomenten van appellant niet verenigbaar zijn met voltijds werk, waardoor de functies die het UWV aan appellant voorhield ongeschikt zijn. Hierdoor is de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling onvoldoende en moet appellant als volledig arbeidsongeschikt worden aangemerkt. De Raad bevestigde ook dat deze arbeidsongeschiktheid duurzaam is.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank, herroept het eerdere besluit van het UWV en bepaalt dat appellant vanaf 12 oktober 2018 recht heeft op een IVA-uitkering. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Appellant is vanaf 12 oktober 2018 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en heeft recht op een IVA-uitkering.