ECLI:NL:CRVB:2022:2248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, voormalig orderpicker, meldde zich in 2009 ziek met psychische en lichamelijke klachten. Na diverse beslissingen en bezwaarprocedures kende het UWV hem vanaf 2011 een WGA-uitkering toe, later gevolgd door een WGA-loonaanvullingsuitkering. In 2018 beëindigde het UWV deze uitkering per 30 januari 2019 vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
Appellant maakte bezwaar en voerde onder meer aan dat de beperkingen niet juist waren vastgesteld en dat zijn gezondheid was verslechterd. Diverse medische rapporten, waaronder van verzekeringsartsen en Psyon, werden overlegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep handhaafde de beperkingen en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep motiveerde dat de geselecteerde functies binnen deze beperkingen passen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat de beperkingen niet zijn onderschat en dat de arbeidsdeskundige voldoende passende functies heeft gevonden. Tevens is het beroep van appellant op extra beperkingen niet gegrond, mede omdat deze niet objectief zijn vastgesteld.
De Raad wijst erop dat appellant zich binnen vijf jaar na beëindiging van de uitkering kan melden bij het UWV indien sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.