Appellant, geboren in 1949 en woonachtig in Israël, heeft zowel in Nederland als het Verenigd Koninkrijk gewerkt en op 19 september 2014 de AOW-leeftijd bereikt. Hij diende op 30 januari 2020 een aanvraag in voor ouderdomspensioen bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb), die het pensioen met ingang van 9 februari 2019 toekende, conform de wettelijke regel dat een pensioen niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de aanvraagdatum.
Na bezwaar werd de ingangsdatum aangepast naar 1 februari 2019, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat geen bijzonder geval bestond voor een langere terugwerkende kracht. Appellant stelde dat zijn bezoek aan het Svb-kantoor op 2 november 2015 als aanvraag moest gelden, wat de Raad niet volgde. De Svb had het pensioen toegekend vanaf 1 augustus 2016, een jaar voorafgaand aan de aanvraag die appellant op 22 augustus 2017 in het Verenigd Koninkrijk deed.
De Raad oordeelde dat appellant niet tijdig een aanvraag had ingediend en dat geen sprake was van een bijzonder geval dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigt. Ook de gevraagde vergoeding van proceskosten werd grotendeels afgewezen, omdat geen uitzonderlijke omstandigheden waren aangetoond. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk, het beroep ongegrond en veroordeelde de Svb in de proceskosten van appellant.