ECLI:NL:CRVB:2022:2263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag militair invaliditeitspensioen na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, voormalig marinier werkzaam van november 1977 tot november 1981, vroeg een militair invaliditeitspensioen aan vanwege een aandoening aan de lage rug. De staatssecretaris wees deze aanvraag op 3 juli 2020 af op basis van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek van juni 2020, waarin werd geconcludeerd dat de militaire dienst niet heeft bijgedragen aan de rugklachten.
Appellant maakte bezwaar, dat op 12 november 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank stelde vast dat appellant niet binnen acht weken had gereageerd op een uitnodiging om zijn bezwaren mondeling toe te lichten, waardoor de staatssecretaris op grond van artikel 7:3 Awb Pro mocht afzien van een hoorzitting. De medische rapportages waren zorgvuldig en gaven heldere conclusies.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere bezwaren en stelde dat hij gehoord had moeten worden, verwijzend naar Europese jurisprudentie. De Raad oordeelde dat de staatssecretaris aan de Awb had voldaan en dat de situatie niet vergelijkbaar was met de aangehaalde jurisprudentie. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde de afwijzing van het militair invaliditeitspensioen.
Uitkomst: De aanvraag om een militair invaliditeitspensioen is terecht afgewezen en het hoger beroep is ongegrond verklaard.