ECLI:NL:CRVB:2022:2268
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen toekenning bijzondere bijstand voor niet-noodzakelijke verhuizing
Appellante heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor verhuiskosten, waaronder inrichtingskosten en de eerste maand huur, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam zijn afgewezen omdat de verhuizing niet noodzakelijk werd geacht.
In eerste aanleg heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, stellende dat de verhuizing niet als noodzakelijk kon worden aangemerkt en dat de omstandigheden zoals betere voorzieningen voor een scootmobiel en vermeende burenoverlast onvoldoende waren om dit te veranderen. Ook was de stelling over criminele en psychiatrische medebewoners onvoldoende onderbouwd.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat sprake was van een noodzakelijke verhuizing en dat het college het gelijkheidsbeginsel had geschonden door gelijke gevallen ongelijk te behandelen. De Raad stelt dat de bewijslast hiervoor bij appellante ligt en zij onvoldoende concreet heeft gemaakt welke gelijke gevallen anders zijn behandeld.
De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat het college geen onderscheid maakt in zijn beleid en elke aanvraag individueel beoordeelt. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijzondere bijstand voor verhuiskosten wordt niet toegekend omdat de verhuizing niet noodzakelijk was en geen sprake is van ongelijke behandeling.