ECLI:NL:CRVB:2022:2290
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens niet volgemaakte wachttijd en geschiktheid eigen werk
Appellant, werkzaam als technisch medewerker bij een werkgever, vroeg een WIA-uitkering aan met als eerste ziektedag 28 februari 2014. Het UWV weigerde de uitkering omdat de wachttijd van 104 weken niet was voltooid en appellant geschikt werd geacht voor zijn eigen werk. De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep stelde appellant dat zijn klachten progressief waren en dat de functie zwaarder was dan door het UWV beschreven.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat appellant fysiek niet al te zwaar werk kon verrichten zonder nachtdiensten. Uit arbeidsdeskundig onderzoek bleek dat het werk inderdaad niet fysiek zwaar was en plaatsvond in een gesubsidieerde setting met lagere eisen. De Raad volgde deze conclusies en oordeelde dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk op de datum in geschil, waardoor de wachttijd niet was voltooid en geen recht op WIA-uitkering bestond.
Verder werd vastgesteld dat de juridische grondslag van het besluit deels ondeugdelijk was gemotiveerd, maar dat dit gebrek niet leidde tot benadeling van appellant. De Raad kende een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van circa 19 maanden, verdeeld over het UWV en de Staat. Ook werden proceskosten en deskundigenkosten toegekend aan appellant. De aangevallen uitspraak werd bevestigd met verbeterde motivering.
Uitkomst: Appellant krijgt geen WIA-uitkering omdat hij geschikt was voor zijn eigen werk en de wachttijd niet is volgemaakt; schadevergoeding en proceskosten worden toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.