Het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland die het beroep van betrokkene tegen een besluit van 27 april 2021 gegrond verklaarde en het besluit vernietigde. De rechtbank had het college opgedragen kosten te vergoeden voor een woonvoorziening voor betrokkene, waaronder een uitbouw en fundering, tot een totaalbedrag van €132.000,-.
Het college verzocht om een voorlopige voorziening om de betalingsverplichting op te schorten en een zelfstandige mantelzorgunit toe te wijzen totdat in de bodemprocedure was beslist. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wees dit verzoek af en bepaalde dat het college het door de rechtbank bepaalde bedrag binnen een maand op een geblokkeerde rekening stort.
De voorzieningenrechter constateerde dat het geschil al jaren speelt zonder oplossing en dat de communicatie tussen partijen vrijwel is weggevallen. De mentoren van betrokkene regelen inmiddels de benodigde hulp zonder tussenkomst van het college, maar behouden aanspraken richting het college. Partijen kwamen onder voorwaarden tot afspraken over het storten van het bedrag en het afzien van nadere besluiten of bemoeienis zolang het hoger beroep loopt.
De voorzieningenrechter wees erop dat partijen verplicht zijn om informatie te verstrekken tijdens de verdere procedure en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.