ECLI:NL:CRVB:2022:232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
In deze zaak gaat het om een herziening en terugvordering van bijstand over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 augustus 2019, waarbij appellanten werden geconfronteerd met een terugvordering van € 2.772,50 en een boete van € 907,74 wegens het niet melden van kasstortingen en bijschrijvingen op hun bankrekening.
Appellanten betoogden dat de kasstortingen bestonden uit eerder opgenomen eigen gelden en daarom niet als inkomen in aanmerking genomen mochten worden. Zij verwezen naar bankafschriften waar opnames voorafgaand aan stortingen zichtbaar waren, maar slaagden er niet in met controleerbare en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat er een direct verband bestond tussen de opnames en de kasstortingen.
De Raad oordeelde dat het college de kasstortingen terecht als inkomen heeft beschouwd, omdat het verband in tijd en omvang onvoldoende aannemelijk was gemaakt. Tevens werd vastgesteld dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden door deze stortingen niet te melden, wat een boete rechtvaardigde. De opgelegde boete werd als evenredig beoordeeld en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand en de boete wegens schending van de inlichtingenverplichting.