ECLI:NL:CRVB:2022:2326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was sinds 2009 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2018 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 35%, waarop de uitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar medische beperkingen waren onderschat en dat haar situatie was verslechterd. Zij overhandigde aanvullende medische stukken, waaronder een brief van de GGZ. De Centrale Raad van Beroep volgde echter de rechtbank en het UWV in hun oordeel dat de medische beoordeling zorgvuldig en goed gemotiveerd was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de fysieke en psychische beperkingen adequaat vastgesteld en gemotiveerd, en er was geen aanleiding om deze beoordeling te betwisten.
De Raad oordeelde dat de geselecteerde functies passend waren en dat het UWV terecht de WIA-uitkering had beëindigd. Het verzoek om schadevergoeding wegens wettelijke rente werd afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, waarmee het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.