ECLI:NL:CRVB:2022:2329

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 oktober 2022
Publicatiedatum
31 oktober 2022
Zaaknummer
21 / 441 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens onduidelijke woon- en leefsituatie

Appellant heeft zich op 10 december 2019 gemeld voor bijstand en op 28 januari 2020 een aanvraag ingediend. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af bij besluit van 19 maart 2020, gehandhaafd na bezwaar op 2 juli 2020, vanwege onvoldoende informatie over de feitelijke woon- en verblijfplaats van appellant.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak omdat appellant niet voldeed aan zijn medewerkingsplicht. Hij had het formulier wisselende verblijfplaatsen moeten invullen of op andere wijze aannemelijk moeten maken waar hij verbleef, maar volstond met een algemene verklaring dat hij bij vrienden verbleef.

Appellant wilde geen nadere gegevens verstrekken om zijn vrienden niet in problemen te brengen, wat voor zijn rekening en risico blijft. Ook een verklaring van Stichting Maaszicht dat appellant niet kon verblijven wegens corona, bood geen soelaas. De plicht om duidelijkheid te verschaffen over zijn verblijf bleef bestaan. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens onvoldoende aannemelijkheid van de woon- en leefsituatie.

Uitspraak

21.441 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2020, 20/4022 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 25 oktober 2022
Zitting heeft: mr. E.J.M. Heijs
Griffier: K.M. Geerman
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Michielsen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Biemond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellant heeft zich op 10 december 2019 voor bijstand gemeld en op 28 januari 2020 een aanvraag ingediend. Bij besluit van 19 maart 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 juli 2020 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn feitelijke woon- en verblijfplaats als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over onder meer zijn woon- en leefsituatie. Indien een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woon- en leefsituatie. Omdat appellant in de te beoordelen periode van 10 december 2019 tot en met 19 maart 2020 geen vaste woon- of verblijfplaats had, was hij gehouden om het door het college verstrekte formulier wisselende verblijfplaatsen in te vullen, of op andere wijze aannemelijk te maken waar hij heeft verbleven. Appellant heeft dit niet gedaan. Hij heeft volstaan met de verklaring dat hij bij vrienden heeft verbleven. Hierdoor is zijn woon- en leefsituatie onduidelijk gebleven en kon het college het recht op bijstand niet vaststellen. Dat appellant over zijn verblijf bij vrienden geen gegevens wilde verstrekken, omdat hij hen niet in de problemen wilde brengen, dient voor zijn rekening en risico te blijven. Appellant heeft verder gewezen op de verklaring van zorgaanbieder Stichting Maaszicht, waarin, voor zover van belang, is vermeld dat appellant per 20 februari 2020 stond ingeschreven op het adres van de Stichting en het als gevolg van de corona-uitbraak helaas niet mogelijk was om appellant een kamer aan te bieden. Deze verklaring kan hem evenmin baten. Dat appellant geen verwijt treft dat hij niet op het adres van de Stichting Maaszicht heeft kunnen verblijven, laat onverlet dat op hem als aanvrager van bijstand de plicht rustte om informatie te verstrekken over de vraag waar hij wel verbleef. Dat heeft appellant, zoals hiervoor al is vastgesteld, in onvoldoende mate gedaan.
Het hoger beroep slaagt daarom niet. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) K.M. Geerman (getekend) E.J.M. Heijs