ECLI:NL:CRVB:2022:2336
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor stofferings- en inrichtingskosten na verhuizing
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor stofferings- en inrichtingskosten en dubbele huur na een verhuizing vanwege overlast in zijn woonomgeving. Het college kende alleen bijzondere bijstand toe voor de dubbele huur en wees de aanvraag voor stofferings- en inrichtingskosten af omdat deze kosten als incidentele algemeen noodzakelijke kosten worden gezien die uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat er bijzondere omstandigheden waren waardoor hij niet had kunnen sparen of de kosten gespreid had kunnen betalen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de verhuizing plotseling was en dat hij vanwege een studieschuld niet had kunnen reserveren.
De Raad overwoog dat de aangevoerde gronden niet afwijken van eerdere argumenten en dat schulden geen bijzondere omstandigheid vormen. De Raad bevestigde dat stofferings- en inrichtingskosten incidentele algemeen noodzakelijke kosten zijn en dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor stofferings- en inrichtingskosten is terecht afgewezen en het hoger beroep wordt verworpen.