ECLI:NL:CRVB:2022:2343
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was sinds 2014 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Na een herbeoordeling in 2018 en 2019 stelde het UWV dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 35%, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing, stellende dat haar klachten en beperkingen, met name door SLE en psychische aandoeningen, een hogere mate van arbeidsongeschiktheid rechtvaardigden.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het medisch oordeel van het UWV juist was. De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze beoordeling in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de medische situatie van appellante stabiel was en dat de beperkingen adequaat waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst. De door het UWV geselecteerde functies werden als passend beoordeeld.
De Raad verwierp de stellingen van appellante over een wisselend beloop van haar ziekte en een onderschatting van haar psychische klachten. Ook nieuw ingebrachte medische informatie leidde niet tot een ander oordeel. De Raad bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.